De cartoon toont vier politici rond een tafel vol voodoo-poppetjes.
Links schrikt een vrouw hevig "Voodoo-poppetjes van alle kandidaten!?”. Een man in het midden prikt lachend in een pop en zegt: “Ze moeten als deel van een minderheidskabinet een dikke huid hebben. Dat testen we hier.”
Rechts merken twee vrouwen op dat Yesilgöz, Hermans en Van Weel al geslaagd zijn omdat zij zich “niets aantrekken van de oppositie”, maar tegelijk wordt spottend gewezen op de “enorme hoofden” van sommige poppetjes: zijn hun ego’s wel getest?
Beeld en tekst samen bekritiseren politieke ongevoeligheid. Weerbaarheid wordt gepresenteerd als noodzakelijke eigenschap, maar de cartoon suggereert dat dit kan doorslaan in arrogantie en afstand tot kritiek. De voodoo-metafoor benadrukt hoe politici worden “getest” door aanvallen, terwijl de grote hoofden wijzen op opgeblazen ego’s binnen een kwetsbaar minderheidskabinet.